Terug naar resultaten
HR 25 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:1013

Hoge Raad, 25 juni 2026

rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; art. 9.6 en 9.7 Wet IB 2001, art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, art. 25c AWR, art. 13 EVRM, art. 1 EP EVRM; Sprongcassatie, proefprocedure, evenredigheidsbeginsel, exceptieve toetsing, rechtstreekse toetsing, “Massaalbezwaarplusprocedure” over de vraag of ook niet-bezwaarmakers met een beroep op het arrest ECLI:NL:HR:2021:1963 alsnog in aanmerking kunnen komen voor vermindering van box 3-heffing.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02701 Datum 25 juni 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juli 2025, nrs. BRE 24/6239 t/m 24/6242, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2020 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1

1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door C. Overduin, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 8 mei 2026 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2

2 Beoordeling van de middelen De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nr. 25/02700, ECLI:NL:HR:2026:907, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3

3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4

4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026. ECLI:NL:RBZWB:2025:4557. ECLI:NL:PHR:2026:457, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2026:463.

Geciteerd door (0)
  • Geen uitspraak in dit corpus citeert deze uitspraak.
Citeert (4)